VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Sigaud (7-8)

HOOFDSTUK 7

Twee vormen van neurotische levenshouding.

De geestelijke groei van het kind voltrekt zich trapsgewijs, van
ont­wikkelingsniveau naar ontwikkelingsniveau. Deze trapsgewijze groei maakt dat periodes van consolidatie en integratie van een be­paald niveau (het oudere-kleuter-niveau of het schooltype-niveau), afwisselen met periodes van afbraak van het oude niveau, dus van desintegratie en opnieuw rangschikken van de levenservaringen in een nieuw integratiepatroon, waarbij andere krachten of ook nieuwe oriëntaties een centrale rol gaan spelen. ( Zie ook: B. C. J. Lievegoed „Ontwikkelingsfasen van het kind“.)

De vooruitstuwende kracht in dat trapsgewijze groeiproces is zeker een aan elk levend wezen immanente drang tot zelfontplooiing. Werkt deze drang (constitutioneel) te zwak of zijn de eisen van de buitenwereld te zwaar, dan vindt deze desintegratie en nieuwe re-integratie onvoldoende plaats en bereikt het kind het volgende ni­veau niet of niet volledig of het valt vanuit een reeds bereikt niveau terug in een vorig niveau.

Dit verschijnsel, regressie genaamd, maakt dat een schoolkind rea­geert als een kleuter. Elke regressie betekent echter dat het vorige ontwikkelingsniveau verschijnt in een inadequate, karikaturale vorm, en ernstige omgangsmoeilijkheden geeft met het eigen zelf en met de omgeving.

Wij hebben de retarderende ontwikkeling bij de vier constitutie­typen van Sigaud reeds enigszins bekeken en gezien, dat de nei­ging tot regressie bij een cerebraal kind andere symptomen geeft dan bij een digestief of respiratoir kind. Wij hebben echter ook reeds besproken dat niet alleen de retarderende ontwikkeling stoornissen geeft in de rustige groei van ontwikkelingsniveau naar ontwikkelings­niveau, maar dat een propulsieve, dus te snelle groei, het te snelle bereiken van een hoger niveau (meest slechts op enkele punten en dus onvolledig), evenzeer een ernstige verstoring kan geven van het proces: integratie – desintegratie – reïntegratie.

Het lijkt bij de propulsieve kinderen wel alsof ze zich in een blijvend proces van desintegratie bevinden, zonder ooit een echt integratie­niveau te bereiken. Bij hen is er dan ook niet zozeer sprake van een regressie, van een terugval op een vroeger niveau, omdat dat vroe­gere niveau als zodanig nooit echt bestaan heeft. Wel zien we een chaotische menging van vroegrijpe en van infantiele reactievormen door elkaar heen. In het centrum van de typische regressie op grond­slag van een retarderende ontwikkeling staan de hysterische reactie-vormen, in het centrum van de gefixeerde desintegratietoestanden op grondslag van een propulsieve ontwikkeling staan de neuropatische reactievormen.
Van de regressieve-cerebrale dromers tot de regressieve driftma­tige digestieven zien we het rijk geschakeerde beeld van de kinder­lijke hysterie zich ontplooien.
Van de vroegrijpe, intellectuele, nerveuze kinderen tot de schizoïde autisten, zien we vele vormen van neuropatische reacties zich af­spelen, (die ook onder de namen nerveuzen, sensitieven, hypothymen, beschreven worden).

Wij willen deze beide reactievormen voor u beschrijven.

sigaud 48 1

Hysterische reactievormen met hysterische patronen van reageren. Met het woord hysterie is voor de leek het beeld gegeven dat over­laden is met allerlei negatieve vooroordelen. „Dat mens is hyste­risch”, betekent gewoonlijk: ,,deze dame is manziek, en toont dat op hinderlijke wijze”. Van dit aspect der hysterie zullen wij ons hele­maal los moeten maken als we over de kinderlijke hysterie spreken. Hoewel de psychoanalyse van Freud het seksuele driftleven reeds naar de allereerste kinderjaren wil verleggen, voelen wij er meer voor deze benaming te reserveren voor die vorm van driftleven die met de puberteit een rol gaat spelen, en de kinderlijke hysterie te be­trekken op het gehele driftleven. Deze kinderen lijden onder sterke driftmatige impulsen enerzijds, en een te grote openheid voor de omgeving anderzijds. Pas als we deze twee gezichtspunten tezamen zien, begrijpen we de merkwaardige gedragingen van het regressief-hysterische kind.

Het hysterische kind leeft met alle vezels van zijn wezen in zijn om­geving. Het eigen centrum is zwak, de drang tot de zelfontplooiing gering. Elke nieuwe leeftijdsfase, elke nieuwe factor in het milieu is haast onoverkomelijk en doet het kind de beschutting en de vei­ligheid van het oude bekende opzoeken. De moeilijkheden liggen hier vooral in het wilsleven. Het kind voelt zijn omgeving goed aan, het kruipt haast in de andere mensen, en beleeft hun verwachtingen. Het zou wel willen handelen, maar weet dat handelen het overwin­nen van een zekere weerstand betekent. Deze weerstand wordt overmatig sterk beleefd en het kind trekt zich terug, niet tevreden dat het de taak niet volbracht heeft, maar ook niet sterk genoeg om hem te volbrengen. Deze onbehaaglijke toestand wordt nu op het eigen zelf of op de omgeving gewroken met een kracht en volhar­ding, die zeker ruimschoots voldoende zou zijn geweest om de oor­spronkelijke taak te volbrengen.
De hysterie is een terugwijken voor echte verantwoording, zegt Asperger, en wij kunnen er aan toevoegen, de hysterische reactie is een energieontplooiing op de verkeerde plaats, waarbij steeds de hysterische handeling of verlamming in zijn geheel symbool is voor, of in de plaats treedt van de eigenlijk noodzakelijke handeling. Hiermee hebben we de hysterische reactievorm pas van één kant beschreven. De terugval in lagere ontwikkelingsniveaus dan die, die op een bepaald moment aanwezig zouden moeten zijn, betekent ook dat de hele persoonlijkheid vanuit een hogere differentiatie van psychische structuren, terugvalt in primitieve ongedifferentieerde reactievormen.

Hetzelfde vinden wij bij onszelf onder invloed van angst of schrik, vandaar dat Kretschmer terecht zegt dat ieder mens onder bepaalde omstandigheden ,,hysteriefahig,, (tot hysterie kunnen komen) is. Het typische van deze primi­tieve reactievormen is dat ze niet meer specifiek gericht zijn op een doel, maar dat ze diffuus door het hele emotionele gebied stromen en alles meesleuren. In plaats van bij brand hard weg te lopen of iets aan te pakken, wordt zinloos heen en weer gelopen en gegesticuleerd. Het leidende „ik” is hier afwezig, de animale functies, men kan ook zeggen de hersenstamfuncties, ontladen zich chaotisch. Maar op rustiger momenten blijkt dat deze animale functies toch wel degelijk een eigen systeem van ordening hebben, dat niet logisch functioneert, maar wel volgens de wetten der dramatica. Door deze dramatiek wordt het leven van het hysterische kind gekleurd, wer­kelijkheid en fantasie zijn hier niet gescheiden, wat had kunnen ge­beuren is al gebeurd, wat bereikt zou kunnen worden is al bereikt, de verdere handelingen gaan van dit gebeurde en bereikte uit. Het voorstellen en handelen spelen zich af in een eigenaardig tussenrijk waar het bewustzijn en het vrije wilsgebruik verwisseld zijn. Bij de neuropatische reactievormen is het vegetatieve zenuwstelsel labiel en kan hoofdpijn en buikpijn, verbleken en kleuren teweegbrengen. Deze krampverschijnselen hebben dan alle een gelocaliseerde plaats, De neuropatische migraine of buikpijn is het gevolg van een con­stitutionele zwakte en treedt bij overbelasting op of als migraine of als buikpijn, al naar de constitutionele aanleg. De hysterische hoofd­pijn en buikpijn is gedompeld in een zee van dramatiek, en heeft met het hoofd of de buik als zodanig weinig te maken, kan eventueel ook direct verspringen als dit meer effect geeft. Echte hysterische ver­lammingen op een blijvende plaats gelokaliseerd, zagen wij persoon­lijk niet bij kinderen beneden de puberteit. Wel vluchtige, verschijn­selen van gevoelloosheid, vreemd gevoel of niet kunnen gebruiken van een hand of been. In het geheel zijn de lichamelijke symptomen van de kinderlijke hysterie wisselend en gemakkelijk door suggestie te beïnvloeden.

Waardoor kenmerken zich nu de hysterische reactievormen bij het kind?

In de mildste vorm als kinderachtig doen. Als ,,klein willen zijn”. Welk vijfjarig kind kruipt niet eens bij moeder op schoot, nestelt zich lekker, en praat op een kindertoontje in kleutertaal? Gaat dan nog van de ene hand de duim in de mond en trekt de andere zacht­jes aan het oorlelletje dan is het geluk volmaakt. Het kind is duide­lijk even voor de echte grote wereld gevlucht en is weer helemaal in de beschutte warmte van het vroegste kleuterzijn teruggedoken, ter­wijl die echte grote wereld dicht genoeg bij is om interessant te zijn, en veraf genoeg om geen kwaad te kunnen doen. Anders wordt het wanneer deze behoefte elk moment optreedt, als het ,,schootje zitten” met huilbuien en scènes wordt afgedwongen en het wegduiken in de omhulling met heftige begeerte gezocht wordt.

Een tweede symptoom is de steeds merkbare aanwezigheid van het kind. Zelfs als het zwijgt en stil zit volgt het de volwassene of de andere kinderen met een zuigende belangstelling. Het leeft abnor­maal sterk mee met alles wat in de omgeving gebeurt, hoort elk woord en is steeds present, als het net niet gewenst is. In de klas is het moeilijk door het steeds voor de beurt spreken, de aandacht trek­ken en door de bemoeizucht. Steeds is het verongelijkt en wil wat anders dan gedaan moet worden.
Een hysterische jongen die al van een aantal scholen verwijderd was, begon wild te slaan en te krijsen als bij het uitdelen van de schriften niet zijn schrift het eerste werd gegeven. De sommen wa­ren dan „veel te kinderachtig’ voor hem, waarna hij achterstevoren in de bank ging zitten en zijn achterbuurman met zijn pen ging prik­ken. Een aanmerking op dit gedrag riep dan een nieuwe scène op. Het speelkwartier was één vecht- en huilpartij, zelfs kon hij zonder reden opeens een stok of een stuk ijzer oppakken om zich (een der­de klasser) op een zevende klasser te storten en als een blinde om zich heen te slaan.

Zijn intelligentie was zeer behoorlijk (I.Q. 130 a 140). Maar het leren ging maar matig. Het St. Nicolaasfeest bedierf hij voor de ge­hele school, omdat hij een scène maakte, daar St. Nicolaas eerst een kleutertje bij zich riep en niet hem. In een groep met jongens van de­zelfde leeftijd was hij niet te verplegen. Het begin van verbetering trad pas op toen hij, elfjarig, in een groep verplaatst werd met vier tot zesjarige kinderen. Voor deze kleutertjes was hij schattig en hielp de verzorgster als een volwassen hulp. Vanuit deze onbe­dreigde situatie leerde hij zich in de klas en later zelfs op de speel­plaats handhaven, zodat hij toch nog naar een middelbare school kon gaan, waar hij zich leerde handhaven.

Een meisje van dezelfde leeftijd, kind van een moeder waarvan de meeste broers en zusters onder toezicht gesteld waren, debiele en degeneratieve typen en van een Duitse matroos, kwam reeds met negen maanden in een kinderhuis wegens verwaarlozing. In de jaren daarna wisselde ze veel van tehuis. De kinderpsychiater die haar op zevenjarige leeftijd zag, diagnostiseerde: ondermiddelmatige intellectuele aanleg en affectieve verwaarlozing. Zij was extravert, er steeds op uit indruk te maken, had een sterke rededrang. Na vele omzwervingen werd zij op zevenjarige leeftijd in een pleeggezin geplaatst en pedagogisch in speciale behandeling genomen in een kleine klasse. Na een maand luidde de eerste indruk: Domme gevatheid-brutaal-onrustig-ongedurig; begrijpt een verhaal wel, maar kan iets moois nog niet beleven, ze vat het grappige niet, er is een opvallende leegte in de gevoelssfeer. Het eerste jaar bracht hoofdzakelijk de negatieve kanten van haar wezen naar voren: On­evenwichtigheid-snel beledigd – snel teleurgesteld, moet steeds in het middelpunt staan. De weg tussen huis en school bleek moeilijk­heden op te leveren, zowel zwerven en ter verontschuldiging fantas­tische verhalen, als ook oneerlijkheden (fruit wegnemen van de groentekar). Toen de onderwijzeres de eerste keer argeloos vroeg, van wie heb je die mooie sinaasappel gekregen, begon ze dramatisch te gillen en begon te schreeuwen: ik zal nooit meer stelen. Snoep en geld bleken weldra niet veilig te zijn. Zij irriteerde de kinderen van de klas door haar kleverigheid. Al spoedig ging ze in het pleeggezin plagen door afschuwelijke taal uit te slaan als er bezoek kwam enz. Terwille van de lieve vrede moesten de eigen kinderen achterge­steld worden voor het pleegkind, zodat het moment kwam, dat het meisje intern opgenomen moest worden. Ze had een musculaire bouw, voor haar leeftijd een oud gezicht met harde brutale ogen. Na een aanvankelijk zeer goede fase na opname, volgden weken van negatief gedrag, plaagzucht, onevenwichtigheid en slecht leren. Na een maand echter verbeterde zij, speelde met bravoure de hoofd­rol in een toneelstuk, durfde nu ook moeilijker leerstof aan en werd in de groep normaler. Maar juist nu bleek eerst recht in allerlei klei­nigheden haar geraffineerde vermogen overal daar aanwezig te zijn waar wat te beleven viel in negatieve zin. Een kinderruzie, een kind dat bestraft moest worden, enz. Hier speelt ze dan de rol van de kwasi volwassen toeschouwer die wijsneuze opmerkingen maakt, die vaak wonderlijk „raak” zijn, maar nooit helpend in de situatie. Echt medegevoel, spontane hulp komen zelden voor. Waar ze haar hulp aanbiedt, heeft dit steeds een sensationele kant. Zo kan ze b.v. in de tuin de bezoekende ouders opvangen en poeslief vragen: bent u niet de moeder van die of die, en als ze zo kennis heeft ge­maakt, volgt direct een of andere wandaad die op vertrouwelijke toon wordt verteld. Men moet deze voorkeur voor het negatieve in anderen, het roddelen, zien in het licht van het eigen onvermogen positief sociaal contact te vinden, of positieve daden te volbrengen. Maar ook bij dit meisje bracht het laatste schooljaar met het voor­uitgaan van de prestaties in de klas en in de groep, de belangrijke verbetering, en nu pas voor het eerst in haar leven een echte vreugde over eigen kunnen, een echt gevoel van eigenwaarde, dat haar in staat stelde vrij en onbedreigd het sociale contact op te nemen.

Hoe is nu de therapie voor het hysterische kind?
Ten eerste:
Kalm blijven en niet meespelen in de scènes, die deze kinderen provoceren. Bedenk dat het kind ondanks het prikkelende gedrag een ziek kind is, dat met rust en kalmte en vooral met even­wicht geholpen kan worden eigen angst voor de daad te overwinnen.
Ten tweede:
Daarom is de positieve prestatie steeds de enige thera­pie voor het hysterische kind. Aan ons als opvoeders om zo lang te zoeken tot er een situatie geschapen is waarin positieve prestaties mogelijk worden (de elfjarige jongen in de kleutergroep).
Ten derde:
Het kind leren zijn angst voor de daad te overwinnen, naast het kind staande de handeling in gedachten en gebaar te be­geleiden zonder het voor het kind te doen. Het tempo daarna op­voeren en prijzen als er een normaal tempo bereikt is.
Ten vierde:
Het kind langere tijd begeleidend tot bewustzijn bren­gen; „nu kan je dit al, en als je dat nu ook nog kunt, dan ben je er voorlopig”. M.a.w., het kind mijlpalen en doelstellingen voor ogen stellen die het bereiken kan, die steeds dichtbij genoeg zijn, dat ze zichtbaar blijven.
Ten vijfde:
Duidelijk en met vreugde vaststellen, dat er weer een mijlpaal bereikt is.
Ten zesde:
Veel kunstzinnig werk geven. Opstellen, tekenen, schil­deren, toneelspelen. Oppassen bij de rollenverdeling, dat ze niet te sterk in het dramatische schieten. Geef ze strenge rollen, waarbij ze in de vorm moeten blijven.
Ten zevende: Ze houden van het spectaculaire, zoek een werkje voor ze waarbij ze volharding leren beoefenen.

Hun hysterische aanleg kan nuttig worden, en beroepen als b.v.
kin­derverzorgster, verpleegster en sociaal werkster, zijn voor deze
kin­deren weggelegd, mits het zelfinzicht tijdens de opvoeding dusdanig gegroeid is, dat ze tot normaal en evenwichtig contact opnemen in staat zijn. Dan zijn ze ongewoon opofferend en hebben een onver­moeibare arbeidskracht. Als het voor hen zelf blijkt, dat ze hier wat presteren, dan groeit de persoonlijkheid toch nog uit tot volwassen­heid.

sigaud 48 2b

Neuropathische reactievormen – gefixeerde desintegratietoestanden.
Het neuropathische symptomencomplex, zoals dit thans beschreven zal worden, ontwikkelt zich op de grondslag van een zeer bepaalde constitutionele aanleg. Vele moeders berichten, dat haar kind reeds vanaf de eerste ademtocht anders was dan gewone zuigelingen. Ze keken direct rond ,,als een kleine volwassene”, of ze waren direct al bovenmatig beweeglijk en reageerden op elk geluid of elk licht. Gemeenschappelijk hebben al deze kinderen een overgevoeligheid van het zenuwstelsel, naast een vroegrijpheid in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling; niet alleen een zintuiglijke overgevoelig­heid maar vooral ook een labiliteit van het vegetatieve sympatische zenuwstelsel.
De onbewuste vegetatieve functies, die instinctmatig verlopen moeten (stofwisseling – bloedcirculatie – ademhaling) worden te sterk bewust. Het is alsof het bewustzijn doordringt in een vegetatief ge­bied, waarin het niet thuis hoort en in dat gebied wanorde en wille­keur brengt, waar natuurlijke orde en ritme, waar goede instincten in onbewustheid moeten heersen. In hun psychische (vroegrijpe) ont­wikkeling en in hun handelingen hebben deze kinderen hun in­stincten verloren en het gewoonste en natuurlijkste (de voedselopname, de stoelgang, de hartslag, de ademhaling) wordt tot een pro­bleem, dat met een angstige spanning of overwakkere opmerkzaam­heid gevolgd wordt. Daar deze kinderen meest opgroeien in een om­geving, die zelf zijn zekerheid in de instinctieve pedagogische hou­ding verloren heeft, ziet men bij de neuropaten naast de versie van het hysterische duet tussen moeder en kind het neuropatisch duet tot kwintet (want de neuropaten weten vaak het gehele gezin in span­ning te houden) tot ontwikkeling komen.

Wij behoeven geen stelling te nemen in de strijdvraag of het neuro­patische kind door exogene oorzaken zich ontwikkelt (dus door in­vloeden uit de omgeving) of door innerlijke aanleg. Het is nu een­maal zo dat dezelfde factoren die de erfelijkheid bepalen, als regel ook het milieu vormen dat de kinderen omringt, zodat in dit geval een erfelijke aanleg versterkt wordt door de opvoeding. Wat zijn de klachten waaronder het neuropatische kind lijdt en waaronder vooral zijn omgeving lijdt?
Als baby en kleuter het lichte slapen, het veel wakker zijn, het slech­te drinken, onderbroken bij de geringste stoornis, de grote beweeg­lijkheid, de snel ontwakende heerszucht, de driftbuien, het zeuren en doordrijven.
Als oudere kleuter en als schoolkind bovendien nog: gebrek aan eet­lust – bleek zien – donkere kringen om de ogen hebben – magerte -onrust – braken – buikpijn – verstopping – onzindelijkheid en bedwateren – onregelmatige hartactie en pijnen in de borst – kleuren en rode vlekken bij opwinding – koude handen en voeten – hoofdpijnen -flauwvallen – woedebuien met „wegblijven” – astma-tics – slaap­stoornissen in de vorm van niet-inslapen en ook van met een schreeuw wakker worden – „bolleschudden” en „rijden” – stotteren en voortdurend schreeuwend praten.
Men ziet: een bonte verscheidenheid, die echter gemeen heeft, dat het er vooral om gaat dat het bewustzijn ingrijpt in vegetatief – onbe­wuste gebieden en daar verstoring van deze functies tevoorschijn roept.
Psychisch vallen vooral op de onrust op alle gebieden, de overge­voeligheid op zintuigelijk gebied, de gemakkelijke affectprikkelbaar­heid, de concentratiestoornis.
Vatten wij alles nog eens tezamen onder het beeld van de gefixeer­de desintegratietoestand, dan kunnen we de neuropatische reactievormen als volgt beschrijven:

a.Er bestaat een constitutionele tendens, te sterk vooruit te stormen in de tijd. „Het kind kan zijn tijd niet afwachten”. Juist echter in de verlangzaming van de ontwikkeling van de mens, ten opzichte van het dier, ligt de mogelijkheid te komen tot menselijke ontplooiing en differentiatie, tot het bereiken van nieuwe en hogere integratieniveaus, waar nieuwe ordeningsprincipes kunnen werken.

b.De versnelling van de ontwikkeling gaat vooral uit van het bewustzijn en gaat gepaard met een versterking van de animale tegenover de vegetatieve functies.

c.Daardoor ontbreekt bij de neuropaat de ordening van lichamelijke en psychische functies in een harmonisch geheel. De neuropaat schiet steeds uit naar de ene of de andere kant. In zijn bewegingen, in zijn stemming, in zijn bloedvaatreacties, in zijn sociale gedrag.

d.Daardoor kan men bij de neuropaat niet van echte regressies spreken, er zijn wel talloze te kinderlijke, infantiele uitingen, maar het vorige ontwikkelingsniveau (bijv. voor het schoolkind de kleutertijd) was óók al chaotisch en had óók al vroegrijpe naast infantiele trekken.

e.Daardoor is de neuropaat ondanks intellectuele vroegrijpheid en (onder vier ogen, tijdens de test!) een behoorlijke I.Q., toch een slechte leerling, met bewegingsonrust, slechte concentratie, moeilijk opnemen van wat opgenomen móet worden. Sociaal is hij bovendien zeer lastig door zijn gevoelsleven, dat naast een overgevoeligheid toch een gevoelsleegheid bezit, waardoor nooit vriendschappen ontstaan en elk spel „katjes-spel” wordt. Opgewonden vreugde en woede gaan direct in elkaar over.

ƒ. Daardoor treden allerlei sociale conflicten op. Door de onge­stuurde belangstelling zwerven ze, komen niet thuis van school, ver­geten de tijd. Allerlei kleine eigendomsdelicten komen niet voort uit een bewust stelen door begeerte gedreven, maar in een ongeordend in de zak steken van dingen waar ze op een bepaald moment toeval­lig mee spelen of klungelen en hangt meer samen met een niet be­leven van: „dat doe je niet”.

g. Daardoor zijn zij veel sterker dan andere kinderen afhankelijk van factoren uit de omgeving. Opwinding, feestvreugde, angstige spanning, chaos in de omgeving brengt hun gelijkelijk uit hun even­wicht. Het weer speelt een grote rol, voor hitte en koude, voor weer­omslag (sneeuw in de lucht), depressies, in de lente en de herfst zijn ze overgevoelig en dan óf lusteloos of extra beweeglijk en lastig.

h. Tenslotte valt steeds meer op, dat zich geen echt centrum van de persoonlijkheid ontwikkelt en manifesteert. We willen daarom on­danks de vaak ook goede intellectuele ontwikkeling spreken van een gebrekkige en zwakke Ik-ontwikkeling, resultaat van de gefixeerde desintegratietoestand.

De therapie kan bij deze punten aansluiten. Centraal staat hier in de pedagogische therapie een rechttrekken van het onevenwichtige ontwikkelingsniveau. Pedagogische maatregelen die gericht zijn op een ontwikkeling van het gevoel en van het geordende handelen staan op de voorgrond.

De intellectuele functies komen daarna vanzelf terecht. Een rustige instinct-zekere omgeving (neuropaten uit de stad doen het zomers op de boerderij heel goed), een regelmatige dagindeling – afwisse­ling van buiten zijn en binnen werken – veel lichamelijke en psychi­sche warmte, zijn de hoofdzaak.

Vaak moet door een milieuwisselmg een fixatie doorbroken worden. Opvallend is hierbij dat bij de uitgesproken gevallen een bepaalde ontwikkeling optreedt. Aanvankelijk als zuigeling en kleuter ver­hoogde opmerkzaamheid, vroeg spreken, onkinderlijk oud er uitzien, vroege intellectuele ontwikkeling, zich uitend in meepraten over niet-kinderlijke dingen.

Later in de schoolleeftijd: ongeconcentreerdheid, vegetatieve klach­ten (zie boven), moeilijk leren, slecht opnemen: „verlaagde bewustzijnsfunctie in het denken, naast verhoogde bewustzijnsfuncties in de stofwisseling”.

Het duidelijkst vinden we deze symptomen bij de neuropathische cerebralen. Op deze kinderen is de beschrijving van Asperger van toepassing: „Diese neuropathischen Kinder sind auch sonst ein einheitlicher Typ: besonders fein und zart gebaut, von unkindlichem Ausdruck und auch von Wesen unkindlich reif. Schon nach dem körperlichen, noch mehr aber nach dem psychischen Bild hat man den Eindruck, sie hatten eine kindliche Stufe übersprungen.” (Deze nauropatische kinderen zijn ook anderszins een vastomlijnd type: bijzonder fijn en teer gebouwd, met een onkinderlijke uitdrukking en als wezen onkinderlijk rijp. Al door het lichamelijke, nog meer echter door het psychische beeld krijgt men de indruk dat ze een kinderfase hebben overgeslagen.’)
Soortgelijks treedt op bij de neuropathische respiratoiren, terwijl bij de musculair-motorische typen vooral de enorme onrust op de voorgrond staat. Neuropathische digestieven (de samenvoeging al bijna een contradictio in terminis) komen we minder tegen, hier krijgt het beeld een geheel andere kleur, die meer naar het driftpsychopatische gaat.

Stellen wij de zaak nog eens kort en duidelijk, voor wij de enkele symptomen iets uitvoeriger beschrijven: de neuropatische reactievormen hebben gemeen dat de „zenuwen”, in dit geval de bewustzijndragende organen van ectodermale (huid) oorsprong een snelle ont­wikkeling doormaken, daarbij het evenwicht met de vegetatieve functies verstorend en daardoor al spoedig een remming van de algemene geestelijke groei bewerkstelligend. Vooral het gevoelsleven van de neuropaat is op een eigenaardige manier leeg, zodat deze kinderen een tragische indruk maken.

De neuropathische aanleg is gegeven, deze kan echter bevorderd of tegen gehouden worden door milieufactoren. Vooral een rustig, instinct-zeker milieu werkt genezend.

De vegetatieve symptomen van de neuropathische reactievorm:
Deze uiten zich vooral in de bloedsomloop en de spanningsverhou­dingen in de kleinste bloedvaten. Op de voorgrond staat een kramp­toestand die zich uit in de bleekheid van de huid, koud zweten, kou­de handen en voeten, deze kramp kan tot pijn worden in de hoofd­pijn of tot flauwvallen bij emotie. Deze kramp kan zich voortplanten op de gladde spieren van luchtpijp (astma) en van het maagdarm­stelsel (maagkramp – overgeven – darmkramp – verstopping). Deze kramp kan echter ook plotseling omslaan in totaal loslaten van de tonus (kleuren, rode vlekken, dermographie, warme handjes, diarree, bedwateren).

Hoofdpijnen: de neuropathische hoofdpijnen treden vooral op in de schoolleeftijd bij een voor andere kinderen draagbare intellectuele belasting. Vooral tegen het einde van de ochtend, sterk afhankelijk van de innerlijke tegenzin tegen het vak dat het laatste uur op het rooster staat. Verder bij verjaardagen en feestjes die ze „niet aan kunnen”. De kinderen simuleren niet, zien vaak groenbleek en moe­ten in het donker uitslapen als bij een echte migraine.
Flauwvallen: door te weinige doorbloeding van de hersenen bij het zien van iets akeligs, of soms alleen maar bij het stoten van een knie. Dit flauwvallen onderscheidt zich van een epileptische toeval doordat het de patiënt zwart voor de ogen wordt en deze in elkaar zakt zon­der trekkingen of krampen. Hoe minder poespas gemaakt wordt van dit flauwvallen, hoe beter voor de kleine patiënt, anders wordt het een wapen om de angstige ouders te dwingen naar zijn pijpen te dansen.

Affectkrampen: Vele van deze kinderen kunnen midden in een woedebui plotseling „wegblijven”, d.w.z. er treedt onder het schreeu­wen plotseling een kramp op van de stembanden, de kinderen wor­den blauw en slap en vallen neer, tot een diepe fluitende ademhaling de opheffing van de stembandkramp aanduidt en de woedeaanval door kan gaan. Het „wegblijven’ is een dramatische gebeurtenis voor de omgeving. Nerveuze ouders (en deze kinderen hebben nerveuze ouders) „blijven” er zelf in! Het succes van het eerste wegblijven in affect, brengt het gevaar mee, dat het gefixeerd wordt als wapen om zijn zin te krijgen, onder het motto: pas op, als je niet doet wat ik wil, dan krijg ik het weer!

Astma: Naast het symptoom van de overgevoeligheid voor bepaal­de stoffen uit de buitenwereld (parallel gaande met de zintuiglijke overgevoeligheid bij alle neuropathische reactievormen) speelt de neuropathische reactievorm van de meeste astmakinderen een grote rol in de graad van de aanvallen. Het astmaprobleem is hiermede natuurlijk niet behandeld, maar het is wel opvallend dat we twee typen van astmakinderen kunnen onderscheiden: de vroegrijpe, extreem magere kinderen met vaak sterke misvormingen van de borstkas met de neuropathische reactie­vorm en de dikke „opgeblazen” kinderen zonder lichamelijke mis­vormingen met een meer hysterische reactievorm. Bij de vaak skeletmagere astmatische kinderen die het gehele
ge­zin beheersen met hun ziekte, kan overplaatsing naar een gezond, nuchter, doch gevoelswarm milieu, vaak wonderen doen. Helaas blijkt dan vaak het „neuropathische duet” daaruit, dat de huisge­noten het kind voortijdig terughalen, omdat ze zonder de emoties die het astmakind bracht, niet leven kunnen.

Hartbezwaren: oudere kinderen klagen vaak over hartkloppingen, „overslaan” en een beklemd gevoel of pijn in de hartstreek. Soms hoort de arts een functioneel geruis en meestal een onritmische hartactie. Voor deze „hartafwijkingen” past geen rust, maar gezonde beweging in een vrolijke harmonische omgeving. Het is opvallend, dat deze kinderen bij zware fietstochten tijdens een schoolkamp nooit over hun hart klagen.

Stoornissen in de eetlust: reeds de kleinste neuropaatjes zijn sterk gefixeerd aan een bepaalde smaak. De overgang van borstvoeding op gemengde voeding betekent al een periode van tobben. Later moet alles of vloeibaar, of wit, of zout of zoet zijn, anders komen er gil­buien met wegslaan van het bord. Neuropaten hebben de neiging te snoepen en tussendoor te eten om dan tijdens de maaltijden geen trek te hebben. Ze kieskauwen. Hoe meer de omgeving zich opwindt hoe sterker dit symptoom wordt. Dit­zelfde kind kan bij een vriendje thuis eten als een wolf! De ouders zijn vaak te meer bezorgd daar deze kinderen van nature mager zijn, een slap spierstelsel hebben en vaak bleek zien.
Overgeven- het niet-eten kan groeien tot een habitueel braken. Som­mige van deze kinderen zijn reeds in de wieg de z.g. spugertjes, pylorospasten. Hier is opvallend, zegt Asperger, dat de pylorospasten meest een vervroegde geestelijke ontwikkeling hebben. Ze fixeren al heel vroeg, het zijn later intellectuele kinderen, ze zijn ook verder onrustig, slapen licht, een enkel geluid (een dichtslaande deur) kan het spastische braken al oproepen. Een ander verschijnsel is het ochtendbraken op weg naar school. Deze kinderen geven regelmatig op weg naar school hun ontbijt over. Als regel blijkt de inspanning van de school voor deze kinderen te zwaar te zijn. Minder intellectuele belasting, zo nodig wisseling van klas of van school of van woonmilieu, kan deze stoornis vaak op slag opheffen. Ook hier blijkt dat bij een neuropaat een bepaalde reactie zich vaak fixeert op bepaalde personen of omgevingen. Bij debiele neuropaten kan het habituele braken zeer hardnekkig ge­fixeerd zijn, zodat het, in een inrichting geplaatst, waar het allang niet meer overgeeft, op het binnenkomen van de moeder prompt reageert met overgeven.

Darmkrampen: deze kinderen lijden vaak aan plotseling optredende buikpijnen, die meest om de navel gelokaliseerd worden. De aanval­len kunnen optreden tijdens of na het eten of op school. De krampen kunnen zo hevig zijn, dat het kind bleek wordt en languit moet gaan liggen. Ook hier duiden deze krampaanvallen op een te zware in­tellectuele of emotionele belasting. Ze zijn met een regelmatige buik­massage door de moeder ‘s avonds bij het naar bed brengen meest prompt te genezen. (Wat is ook heerlijker dan dat moeder zoveel aandacht en zorg aan je besteedt!) Van belang is dan tevens te be­kijken of dit kind de klas en het schooltype aan kan.

Verstopping: de meeste neuropaten zijn „hardlijvig”, met soms af en toe diarree. De stoelgang wordt tot een dagelijkse pijnlijke kwel­ling, de hele familie leeft in spanning en emotie mee of „het gelukt is”. Ondanks de verstopping hebben ze vaak een vuil broekje („heus niet zo erg, maar zo’n klein streepje”). Er blijken vaak grote hoe­veelheden ingedroogde fecaliën in de darm te zitten die door de darm krampachtig vastgehouden worden. Regelmatig  kamillelave­menten kunnen deze vorm van verstopping vaak genezen, ook al omdat dan de spanning van het al of niet gelukken wegvalt en zo de vicieuze cirkel doorbroken wordt.

Bedwateren: Een aantal neuropaten zijn hardnekkige bedwateraars (en soms blijven ze overdag ook niet droog, omdat ze zich tijdens het spel de tijd niet gunnen naar de w.c. te gaan). Dit zijn ze on­danks het feit dat ze soms al heel vroeg zindelijk waren. Later gaan ze dan weer bedwateren, niet zoals het hysterische kind, omdat er een broertje of zusje kwam, maar zodra de emotionele verwerkin­gen van de dag te sterk worden (te druk spelen, een feest, proef­werk, spanningen thuis of op school). Daarbij speelt bij deze
kin­deren een eigenaardige vegetatieve stoornis in de uitscheidingsre­gulatie een rol. Overdag wordt weinig vocht uitgescheiden, ‘s nachts „zwemmen ze weg”.

Slecht uitzien. Haast alle neuropaten zien er slecht uit. De huid is bleek (niet door bloedarmoede, maar door een kramp van de huid­bloedvaatjes), vaak schemeren de aderen blauw door de huid heen en vooral om de ogen ontstaat daardoor een donkere kring. Deze kinderen „tekenen” erg, d.w.z. ze kunnen het ene moment een frisse kleur hebben (die bij nadere beschouwing meest vlekkerig en iets te hoog-rood is), om het volgende moment er uit te zien of ze net op­gestaan zijn van een zwaar ziekbed. Hieruit blijkt hoe labiel de re­gulatie der bloedverdeling is. Hadden de hysterische kinderen meest een vochtige „open” huid en open zintuigen (volgens de indeling van Corman), de neuropaten hebben een koude, gesloten huid en ge­sloten zintuigen (ogen en neusvleugels zijn teruggetrokken, de lip­pen dun en strak).

Onder emotionele invloeden kan deze afsluiting (zich uitend in een slecht sociaal contact) plotseling doorbroken worden, dan kleurt het kind fel-rood, wat opnieuw een terugtrekken oproept. De angst voor het kleuren kan deze kinderen achtervolgen en dat kleu­ren eerst recht oproepen. Bij meisjes ziet men bovendien vaak het verschijnen van felrode vlekken in de hals of in het gelaat, bij jon­gens vaak één ‘rood oor bij een bleek gezicht. Zweetdruppeltjes bijv. alleen op de neusrug of alleen onder de ogen kunnen in de plaats van de vlekken voorkomen. Vaak hebben deze kinderen koude handen en vooral koude voeten. Koude voeten bij deze kinderen roepen een algemene neiging tot vaat- en darmkrampen op. Wij hebben vaak gezien dat een hele reeks van neuropatische klachten verdwenen alleen al door dage­lijks warme voetbaden voor te schrijven, tezamen met het dragen van een lange broek en wollen sokken. Een dergelijke „milieuver­andering” (lichamelijke) kan reeds een belangrijke verbetering van de psychische spanning en labiliteit geven. De leerkracht kan op dit punt de ouders een ongevaarlijk en nuttig advies geven.

Psychische symptomen: verhoogde prikkelbaarheid – onrust –
stemmingslabiliteit – ongeconcentreerdheid – vergeetachtigheid, staan op de voorgrond. Zij alle zijn te verklaren uit een gebrekkige ik-functie in het centrum van de persoonlijkheid. Naast deze neuropaten, met ernstige karaktermoeilijkheden en vegetatieve stoornissen, ken­nen we ook nog de minder zware gevallen. Deze kunnen een dubbel karakter hebben, in de eerste plaats bij die kinderen, waarbij slechts enkele van de genoemde symptomen optreden, in de tweede plaats bij kinderen die wel de constitutionele aanleg met de vegetatieve la­biliteit hebben, maar waarbij een „sterk IK” in het centrum staat, dat in staat is ondanks deze moeilijkheden toch een hoge graad van integratie te veroveren. Hiertoe behoren enkele vroegrijpe begaafde kinderen, hetzij intellectueel begaafd, hetzij kunstzinnig begaafd. Met de grootste moeite weten zij zich door de school te worstelen, ondanks hoofdpijnen of buikpijnen, ondanks de kwellingen die het samenzijn met luidruchtig-gezonde kameraadjes meebrengt, on­danks ook de kwelling, die het klassikale onderwijs als zodanig voor deze kinderen betekent. Zij trekken zich dan gaarne terug in hun eigen wereld van muziek, literatuur of schilderen. Elke prestatie moet ontworsteld worden aan een tegenstribbelende fysieke consti­tutie en vaak betaald worden met hoofdpijnen of uitputtingstoestan­den. Carp (zie ook Dr. D. A. van Krevelen: Nederlands leerboek der
speciaalkinderpsychiatrie. 1952.) noemt dit type het sensitieve belevingstype en wijst op de grote gevoeligheid voor indrukken en verhoogde kwetsbaar­heid. Wij hebben zulke kinderen gezien onder het type dat wij be­schreven als de retarderende cerebrale kinderen en gezien dat deze later tot belangrijke prestaties in staat waren ondanks de blijvende constitutionele hindernissen.

De therapie voor de neuropathische reactievormen bestaat, wat de pedagoog betreft, in de eerste plaats in het doorbreken van vast­gelopen voorwaardelijke reflexen. De pedagoog mag zich niet laten prikkelen door de onlustreacties, niet overbezorgd zijn en moet de ouders het vertrouwen geven dat van nu af alles goed zal gaan. Zelf zal men dan hebben te overwegen of het kind de drukte en afleidin­gen van een grote klas kan verdragen, of de leerstof niet te zwaar intellectueel belastend is en of men door wat extra aandacht en aanmoediging niet reeds veel kan doen. Veelal echter zal om te be­ginnen een radicalere milieuverandering nodig zijn – een uithuisplaatsing – verandering van klas of school. Men zal verstandig doen de uitwerking hiervan aan medisch pedagogische bureaus over te laten.

sigaud 48 3

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s