Rudolf Steiner als pedagoog (2)

In een eerdere blogpost werden kanttekeningen geplaatst bij Pieter Witvliets (op Rudolf Steiner aanwijzingen gebaseerde) pseudowetenschappelijke benadering van leerlingen in antroposofische scholen. Uit een andere getuigenis van Pieter Witvliet wordt duidelijk dat antroposofische leraren Rudolf Steiner niet louter als inspiratiebron zien, maar hem klakkeloos navolgen.

Rudolf Steiner als pedagoog (2), Pieter HA Witvliet, 29/08/2012 (bron)

Witvliet behandelt nog een keer heel kort de temperamenten. Zijn betoog heeft weinig om het lijf, maar een en ander is toch de moeite om te benadrukken. Zo beweert hij dat hij al vrijeschoolleerkracht was toen hij zijn eerste klas in een antroposofische school kreeg. In een eerdere post beweert hij dat hij voor hij aan de slag ging als vrijeschoolleerkracht slechts een korte cursus vrijeschoolpedagogie heeft gevolgd. Witvliet is – zoals zovele antroposofische leraren – zonder degelijke, vakgerichte opleiding voor de klas gegooid. Dit gebrek aan ervaring spreekt ook uit de eerste zinnen van zijn post.

TEMPERAMENTEN
Toen ik als vrijeschoolleerkracht mijn allereerste eerste klas kreeg, zaten er al snel een flinke 30 kinderen in.
Met Steiners aanwijzingen, vooral die uit ‘Praktijk van het lesgeven’[1] probeerde ik de kinderen in de klas een plaats te geven.

Witvliet doelt met ‘Steiners aanwijzingen’ op de volgende uitspraken van Rudolf Steiner: ‘En dat is nu zo merkwaardig: wanneer men kinderen in vier groepen met dezelfde  temperamenten indeelt en de kinderen met dezelfde aard naast elkaar zet, dan werken ze niet versterkend op elkaar, maar juist harmoniserend.’[1] Witvliet geeft de kinderen een plaats in de klas op basis van wat Rudolf Steiner voorschreef. Tenminste, hij probeert het. Want hoewel men in de antroposofische beweging de mond vol heeft van vrijheid, is zelfs kinderen een stoeltje toewijzen door Steiner voorgekauwd.

Dit geldt voor ieder temperament.

Zo kwamen er 2 meisjes naast elkaar te zitten met een uitgesproken flegmatisch temperament.
Ik was benieuwd hoe ‘de scherpe kantjes’ ervan af zouden gaan, als ze naast elkaar zouden zitten.

Witvliet is benieuwd. Hij wil er proefondervindelijk achter komen of het klopt wat Rudolf Steiner beweert. De kinderen dienen hier als proefkonijnen om de zogenaamde antroposofische waarheden te bevestigen. En dan komt de antroposofische truc. Er wordt iets anekdotisch naar voor geschoven. Wat zou daaruit moeten blijken?

Er ging een aantal maanden voorbij.

Op een dag kwam één van de meisjes bij mijn tafel en wachtte geduldig tot ze me iets kon zeggen.
Op mijn: ‘Wat wil je zeggen’, sprak ze: ‘Meneer, mag ik nu eens naast iemand anders zitten, want zij (haar buurvrouw)  is zóóó saai.’

Voor antroposofen zou dit soort anekdotes als bewijs moeten dienen dat de praktische invulling van Steiners temperamentenleer werkt. De nuchtere waarnemer ziet hier uiteraard alleen een verhaal in over een schoolmeisje dat haar klasgenootje saai vindt, maar ook dat het verhaaltje door een antroposoof wordt gebruikt om Steiner en zijn antroposofische school te promoten en zichzelf op de borst te slaan.

[1] Praktijk van het lesgeven, blz.17
Uitg.Christofoor 1989 ISBN 90-6038-187-4

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s