De werking van het vertellen in de onderbouw – vrijeschool/steinerpedagogie

[Artikel van Frans Lutters]

De wereldverhalen in de Vrije School als spiegeling van het leven tussen dood en nieuwe geboorte

De vertelstof en het leven tussen dood en nieuwe geboorte

Als klein kind verschijnt de mens op aarde. In de eerste zeven jaar van het nieuwe aardeleven staan groei en ontwikkeling, op basis van de lichamelijkheid, in de kinderbiografie centraal. De goedheid van ouders, peuter- en kleuterjuf werken mee om de baby, peuter en kleuter een gezonde ­lichamelijkheid te geven, die basis en uitgangspunt vormt voor het verdere leven.

Dan is het zover dat het kind schoolrijp wordt, het wisselt de tanden en gaat naar de eerste klas. Het kind wil en kan nu gaan leren. Het is leren mogelijk op basis van levenskrachten die in de eerste zeven jaar van het leven nog vormend aan de lichamelijkheid werkten en nu gedeeltelijk, en wel in eerste instantie in het gebied van het hoofd, vrij komen en als wil en vermogen tot leren in de kinderziel werkzaam worden. Dit proces noemen we op algemene wijze ook wel de geboorte van het levenslichaam.

In de loop van de onderbouwtijd, de tweede zevenjaarsperiode tussen zeven en veertien jaar, zet dit vrij worden van de levenskrachten zich voort, die zich ten dienste stellen van het lerende, wereldontdekkende zieleleven van het kind.

Hoe werken we nu als leerkracht zo dat we de vrije levenskrachten zo opti­maal mogelijk maar ook zo gezond mogelijk aanspreken?

De sleutel is hier het beeldend werken met de kinderen. In onze verhalen, in de perioden die we geven, scheppen we steeds weer beelden die de kinderen kunnen op­nemen, maar waaraan ze ook nog iets te ‘kluiven’ hebben. Dit laatste gebeurt in de mate waarin het ons als leraar lukt om de vertelde verhalen of periode-inhoud zo levend mogelijk in de ziel te dragen. Dit vergt veel werk, oefening en voorbereiding.

Wat doen we als we een verhaal voorbereiden, bijvoorbeeld een sprookje in de eerste klas? We lezen het sprookje enkele malen en dan proberen we het opnieuw tot leven te wekken door het los te maken van ‘de dode letter’; het sprookje wordt dan tot een levende beeldenwereld in de ziel van de leraar. Als je dan het sprookje opnieuw aan de kinderen vertelt, vertel je vanuit een levende beeldenwereld (en niet vanuit een uit het hoofd geleerde letterwereld).

Dit proces, deze wijze van vertellen werkt gezondmakend, harmoniserend op het kind en spreekt de vrijgekomen levenskrachten aan, die ter beschikking van het zieleleven zijn gekomen.

Een algemene pedagogische wetmatigheid ligt aan dit gebeuren ten grondslag. In de heilpedagogische cursus spreekt Rudolf Steiner in alle duidelijkheid uit dat het ‘hogere’ wezensdeel van de opvoeder inwerkt op het ‘lagere’ wezensdeel van het kind. Zo werkt het Ik van de opvoeder op het astraal­lichaam( de ziel) van het kind en het astraallichaam van de opvoeder op het levenslichaam van het kind en de levenskrachten van de opvoeder op het fysieke lichaam van het kind.

In de onderbouw is, zoals we zagen, de werking van de leerkracht op de vrij wordende levenskrachten een uitgangspunt voor het pedagogische handelen. Als leraren werken we dus sterk vanuit ons astraallichaam( de ziel) in op de lerende kinderen. Het astraallichaam, de drager de gevoelens, schenkt de mens bewustzijn. De naam ‘astraal’ duidt op ‘astér’, op de sterren, en wel om het nog duidelijker te stellen: op de bewegende sterren, die wij als de planeten kennen.

We kunnen vanuit de antroposofische geesteswetenschap tot het inzicht komen dat de planeten en ook Zon en Maan, aan de hemel enkel de aanduidingsplaatsen zijn voor een zich rondom de aarde uitbreidende zielewereld die alleen voor het helderziende bewustzijn of in het leven na de dood en voor de geboorte bewust te aanschouwen is.

De beroemde Italiaanse dichter Dante kende deze sferen uit eigen ervaring en beschreef de reis van de mensenziel door deze sferen in het leven na de dood, in zijn Goddelijke Komedie.

In het leven na de dood maakt de mens zich vrij van de fysieke lichamelijkheid en treedt een bovenzinnelijke wereld binnen die door vele mensen is beschreven die een bijna dood ervaring hebben meegemaakt..

Evenals de ziel van de mens, is deze ervaringswereld na de dood in zeven fasen te onderscheiden, met  zeven verschillende werkingsgebieden aangeduidt met Maan, Mercurius, Venus, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus.

In zijn tocht door de geestelijke wereld krijgt de mens te maken met zeven werkingsgebieden. We spreken over de zeven planetenkwaliteiten, die ook werkzaam zijn in het astraallichaam. De aanleg van het nieuwe astraallichaam vindt plaats op de tocht die het geest-zielewezen van de mens maakt tussen het moment van sterven en de nieuwe geboorte.

Het geest-zielewezen maakt dan een tocht door de planetensferen beginnend bij de Maansfeer. Het breidt zich steeds verder uit en verwerkt het afge­lopen aardeleven tot het de Saturnussfeer bereikt en de daaraan grenzende sfeer der vaste sterren.

Hier vindt de mensengeest zijn eigen oorsprongswereld – de wereld van het Ik, gedragen en behoedt door machtige geestelijke wezens. Deze wezens kennen we uit de schilderkunst en verhalen als de Cherubijnen en Serafijnen.

Dit moment wordt door Rudolf Steiner het middernachtelijk uur genoemd, daarna het geest-zielewezen begint aan de afdaling en aan de voorbereiding op het komende aardeleven. Tijdens deze afdalende weg wordt het astraallichaam en ook het levenslichaam, gaande door de planetensferen, opnieuw opgebouwd als uitgangspunt voor een vruchtbare werkzaamheid in de nieuwe incarnatie. Ook de geestkiem voor het nieuwe fysieke lichaam wordt op deze wijze aangelegd.

In iedere planetensfeer worden weer andere aspecten van het astraal- en levenslichaam opnieuw aangelegd met behulp van vele geestelijke wezens.

Bij deze aanleg speelt de verwerking van het vorige leven een grote rol,  maar ten dele kan, op basis van voorbije daden in vorige levens, een harmonisch uitgangspunt voor het nieuwe leven, gerealiseerd kan worden. Dit feit kunnen we aan onze kinderen in de klas en natuurlijk ook aan ons zelf waarnemen. We worden immers niet als volmaakte mensen geboren en ook later zijn we verre van volmaakt, maar we kunnen ons wel ontwikkelen.

Gelukkig hebben we in de kindertijd de mogelijkheid om door een levende opvoedkunst helend op de wezensdelen van het kind in te werken.

De helende en opvoe­dende werking in de periode van 7 tot 14 jaar, kan bijvoorbeeld van de vertelstof uitgaan.

In de volgorde van de verhalen die achtereenvolgens op de Vrijeschool aan bod komen kunnen de kinderen nogmaals de krachten doorleven en verder ontwikkelen die zij in het voorgeboortelijk bestaan hebben ontmoet.

 I De Maansfeer en de sprookjes in de eerste klas.

Als de mens sterft neemt hij ongeveer drie dagen lang in beelden zijn eigen leven waar. In beelden staat zijn leven rondom hem. Deze beelden, van vroegste kindertijd tot sterven, lagen verborgen in de ‘herinnering’ in het etherlichaam. Doordat het fysieke lichaam, dat deze beelden normalerwijze in zich sluit, is weggevallen, wordt de hele levensherinnering tot een tableau. In de loop van de drie dagen worden deze beelden groter en groter, tot ze uiteindelijk oplossen. Op dit moment is ook het ether­lichaam van de gestorvene opgelost in de wereldether.

Het beeldentableau heeft een grote verwantschap met de sprookjes zoals we die in de eerste klas vertellen. Beeld na beeld in grote levendigheid is aaneengeregen. Een hele levensontwikkeling is zichtbaar.

Ook op het laatste moment voor de geboorte heeft het geest-zielewezen een levenspanorama. De ziel ziet in vogelvlucht het hele leven vooruit. Het is het moment waarop het werkelijke samentrekken van het nieuw gevormde levens­lichaam inzet.

In de sprookjes herhalen we nogmaals deze belevenissen. De verbinding met de Maansfeer is juist in de sprookjes te zoeken. In de sfeer van de Maan wordt het  eigen levenssprookje als in een notendop geschonken. Er was eens…

II De Mercuriussfeer en de fabels en legenden in de tweede klas.

Nadat de mens, na de dood zijn leven in beelden heeft waargenomen, legt de mens zijn ‘levenskleed’ af, om dan een volgende stap te maken in zijn hemelreis tussen dood en nieuwe geboorte.

In de Mercurius- en Venussfeer, die de ziel betreedt als deel van de astrale wereld, ligt de nadruk op de verwerking van het voorafgaande leven.

Dit verwerken van het voorbije leven gebeurt in omge­keerde volgorde en heeft in de Mercuriussfeer, die tevens dat deel van het zieleland is waar de Aartsengelen op intensieve wijze  behulpzaam zijn, de nadruk op de verwerking van de morele of a-morele zielehouding uit het voorafgaande aardeleven. In de mate waarin we morele mensen waren, voelen we ons in de Mercuriussfeer verbonden met de werkzaamheid van de Aartsengelen.

In de heiligenlegenden en fabels die we de kinderen in de tweede klas vertellen wordt de moraliteit en ook de a-moraliteit beleefbaar. De fabels tonen de dierlijke neigingen en driften die doorspelen tot in het kinderlijke ziele­leven. Het etherlichaam is bij uitstek het driftenlichaam wanneer het nog niet als gewoontedragend lichaam door de ziel gecultiveerd, getemd of in harmonie gebracht is. Aan de andere kant zijn het juist de heiligen die het zieleleven zo zonnekrachtig werkzaam maken dat zij in de dierenwereld van driften en neigingen rust en samenwerking tot stand brengen.

Het zijn juist de Aartsengelen met wie de heiligen zich vaak als volks­heiligen verbonden weten. Mogen we niet vermoeden dat een mens als Francesco van Assisi met een sterke moraliteit, ook een sterke en tevens vrije verbinding had met de werkzaam­heid van de Aartsengelen in de Mercuriussfeer?

Zulk een verbinding heeft als gevolg dat, bij de afdalende weg die het mensenwezen opnieuw naar de aarde toe maakt, de Mercuriussfeer – waar de keuze voor het volk waarin de menselijke individualiteit werkzaam wil worden – krachtig benut wordt.

In het geval van Francesco is het dui­delijk dat hij Italië weloverwogen kiest. Hij brengt in het land van het zich verhardende Romeinse christendom een nieuwe impuls van christelijke liefde en medelijden.

III De Venussfeer en het Oude Testament in de derde klas.

Na al deze ervaringen betreedt de mens in het leven na de dood de Venussfeer. Hier is de verwerking niet enkel meer gericht op de moraliteit, maar op de samenhang die men had met een bepaalde religie. Of het nu een christelijke, islamitische of hindoeïstische geloofsbekentenis is, doet in eerste instan­tie niet ter zake. De verbinding met een bepaalde religie brengt in het leven na de dood de verbinding met de tijdgeesten, die in het Grieks Archai (let. Oerbeginnen) worden genoemd, tot stand die vanuit deze sfeer de mens in zijn verwerking van het voorbije leven en voorbereiding voor het nieuwe leven steunen..

Aan de hand van het joodse volk, geleid door de aartsvaderen en profeten, kan het kind opnieuw doorleven hoe de omgang met religie vormend op de mens werkt. Hoe sterk wist Mozes zich niet met Jahwe, zijn God, verbonden toen hij zijn volk de Tien Geboden bracht. Mozes trad in de voetsporen van Jacob, die worstelend met de Engel bewerkstelligde dat Michaël de volksgeest van het joodse volk werd. In onze tijd is Michaël als tijdgeest ten volle in de sfeer van de Archai opgegaan. De verbinding van het joodse volk met de Venussfeer, en daarmee met de werkzaamheid van de Archai of Geesten van de Persoonlijkheid, zal dan ook uitermate sterk zijn.

Bij de afdaling naar de aarde, als het geest-zielewezen van de mens ten tweeden male de Venussfeer doorschrijdt, richt het zich juist op de stroom der generaties en maakt het de keuze voor het ouderpaar bij wie het gebo­ren zal worden.

Weer is het het joodse volk bij wie we deze houding en de eerbied voor de generatiestroom ten volle kunnen herkennen. De generaties vanaf de aartsvader Abraham worden steeds in ere gehouden. Ook hier volgt het leerplan voor de vertelstof in de Vrije School de gang door de planetensfeer in het leven tussen dood en nieuwe geboorte.

Doordat de kinderen deze gang in de verhalen nogmaals mogen beleven door de levende beelden die hun toestromen vanuit de ziel  van de leraar, werkt het nogmaals gezondmakend op de levenskracht van het kind.

Ook daar waar het kind hindernissen in de ontwikkeling heeft, kan door het enthousiasme waarmee de verhalen verteld  en beleefd worden een helende werking ontstaan die wonderen doet. We spreken als opvoeders dan krachten aan die in het voorgeboortelijke bestaan van de mens hun bron hebben. Dit is een geheel nieuwe bron voor pedagogie, want sinds Aristoteles spreken we in de Westerse cultuur niet meer over het voorgeboortelijk bestaan van de mens.

Het vergt dan ook de nodige moed om dit “vergeten continent’ bewust in het pedagogisch-didactische handelen te betrekken.

 IV De zonnesfeer en de Edda en tevens de Griekse mythologie in de vierde en vijfde klas.

 Nu is het grote moment aangebroken waarop het de mens tijdens het leven tussen dood en nieuwe geboorte, de Zonnesfeer betreedt. Op dit moment zijn niet alleen fysiek lichaam en etherlichaam afgelegd. In de Zonnesfeer bouwt en werkt de mens samen met lotgenoten aan zijn toekomstige levensgestalte. Dit werk zal ook in de Mars-, Jupiter- en Saturnussfeer worden voortgezet, en vindt zijn afsluiting met de vorming van het basispatroon van het levenslichaam voor de komende incarnatie.

In de Zonnesfeer is het van belang hoe men zich in het voorafgaande leven met het mensheidsstreven als geheel verbonden heeft gevoeld. Dit over­stijgt alle specifieke religieuze interesses en geeft het geest-zielewezen de kracht om in de Zonnesfeer de Christuswerkzaamheid te vinden, waardoor hij bij de afdaling door de Zonnesfeer een op harmonische wijze doorchriste­lijkt grondpatroon van het etherlichaam kan opbouwen.

Daarnaast aanschouwt het geest-zielewezen een door Lucifer bezette troon. Lucifer spreekt met verleidende stem: ‘Je kunt worden als God.’ Terwijl het beeld van Christus de volgende woorden spreekt: ‘Gij zijt Goden, allen.’ Lucifer spreekt hier als Loki in de verzameling der Asen zoals we die uit de Edda kennen. Steeds weer verleidend en onruststokend, maar zelfs voor Odin is het niet mogelijk om hem buiten de muren van Asgaard te sluiten.

Meer dan wie ook maakt Loki indruk op de vierdeklassers. Hij is immers de veroorzaker van de dood van Baldur. Baldur, de lichte, vrede brengende Zonnegod, sterft binnen de muren van Asgaard. Loki werkt met list en sluwheid en spreekt: ‘Je kunt worden als God, als Odin.’ In de vertelstof van de vierde en vijfde klas beleven de kinderen in de vertelde beelden nogmaals de dramatiek in de Zonnesfeer zoals ze die tussen dood en nieuwe geboorte hebben doorgemaakt.

Terwijl de vierde-klaswereld aan de listen en het geweld van Loki en zijn kinderen ten ondergaat, brengt de vertelstof van de vijfde klas genezing­.

In de Griekse mythologie treedt zowel de reine zonnewereld alsook de Luciferisch beïnvloede zonnewereld op aarde in verschijning, en wel in de werkzaamheid der helden.

Twee soorten helden ontmoeten de kinderen. Jason en Herakles zijn hier bruikbare voorbeelden. Jason valt na de goed volbrachte tocht – waarbij hij het gulden vlies uit Colchis haalt – ten prooi aan eigenmachtig handelen en vermoordt de broer van Medea, zijn geliefde. Hiermee roept hij over Medea en zichzelf het noodlot af. Het lijkt alsof de verleidende stem van Lucifer in de Zonnesfeer hier werkzaam wordt: ‘Jullie kunnen worden als Goden.’ Herakles daarentegen volbrengt edel en rechtvaardig de twaalf werken. Hiermee volbrengt bij een mensheidstaak. Hier leeft de zonnewerking als Christuskracht. Het kan ook de vijfdeklassers bewust maken van de in het voorgeboortelijke gehoorde stem: ‘Jullie zijn Goden, allen.’

In de vierde klas ligt de nadruk op het verval en de tragiek van de zonne­wereld, in de vijfde klas wordt met de Griekse mythologie genezing gebracht doordat het Luciferische noodlot en het doorchristelijkte lot aan de levenslopen der helden ervaren worden.

Het als een eenheid behandelen van de vertelstof van de vierde en vijfde klas vindt ook zijn rechtvaardiging in het feit dat Griekse en Noors-Germaanse goden een directe verwantschap met elkaar hebben. Het zijn de geestelijke wezens voor wie het nog mogelijk was om zich in de Atlantische tijd als mensen te incarneren en op aarde werkzaam te zijn.

V De marssfeer en de Romeinse sagen in de zesde klas.

In de zesde klas vertellen we hoofdzakelijk over de Romeinen. Kracht en rechtvaardigheid tellen hier. Deze vermogens uiten zich tot in de scheppende vermogens in de materiële wereld. De stad wordt gebouwd, wetten uitgevaardigd, strijd gevoerd, maar niet zonder dat er eerst in de senaat krachtig over wordt gesproken. Ook hier is de samenhang met de weg die het geest-ziele­wezen van de mens na de dood door de planetensferen doormaakt treffend.

In de Marssfeer doorschrijdt de ziel de sfeer van het wereldwoord en tevens is het een van de gebieden van de werkelijke geesteswereld (in de Venus- en Mercuriussfeer bevond het mens zich nog in de zielewereld, de astrale wereld). In dit gebied van de geestelijke wereld vinden de materiële verschijnselen op aarde hun oerbeelden. Hoe sterk zijn niet de Romeinen verwant met deze planetensfeer. Als het geest-zielewezen van de mens opnieuw afdaalt naar de aarde, neemt het in de Marssfeer woordkracht op. Het waren de Romeinen die bij uitstek de retorica beoefenden. Zoeken naar verwerking tot in het materiële en de woordkracht zijn zowel de zesdeklasser als de Romeinen eigen.

VI De Jupitersfeer en de volksvertellingen alsook de ontdekkingsreizen

In de zevende klas staan de vertellingen van de verschillende volkeren centraal. Een veelheid van mogelijkheden duikt hier op. Van de Kalevala tot aan Tijl Uilenspiegel. Maar het gaat er juist om meerdere volkeren, dus ook meerdere volksverhalen te leren kennen. Op deze wijze worden de kinderen losgemaakt van de verbinding met een bepaald volk. Ditzelfde gebeurt in de Jupitersfeer tijdens het leven tussen dood en nieuwe geboorte. Zoals in de Venussfeer de verbinding met een bepaalde volksreligie van belang was, zo is het hier van belang om de specifieke volksverbindingen te verliezen. Dan ontmoet de mens in deze sfeer de wereldgedachten, die bij de afdaling naar de nieuwe incarnatie, als het geestwezen ten tweeden male de Jupitersfeer doorschrijdt, tot eigen mensengedachten worden.

Wereldgedachten die tot mensengedachten zijn geworden liggen ook ten grond­slag aan de daden van Hendrik de Zeevaarder, Columbus, Leonardo da Vinci, Luther, en anderen. Wereldgedachten lagen ten grondslag aan de ontdekkingsreizen.

Hoge geestelijke wezens, de Cheru­bijnen, werken hier samen met de Jupiterwezens, die ook in de nacht de mens ­bijstaan om raadselvragen op te lossen.

De zevendeklasser wil, net als de ontdekkingsreiziger, zich losmaken uit de volksbindingen. De vertellingen over de volkeren helpen hierbij, om dan vanuit de wereldgedachten de mensengedachten te vinden die de raadsels waarvoor de zevendeklasser zich gesteld ziet kunnen oplossen en werkzaam maken.

VII De Saturnussfeer en de verhalen der cultuurvolkeren en tevens de uitvindingen in de achtste klas.

In de achtste klas zijn het dan niet meer de verhalen der Europese volkeren die verteld worden, maar de wereldverhalen die beleefd worden. De verhalen uit de verschillende werelddelen der aarde, bevolkt met de verschillende rassen maken de achtsteklasser tot wereldburger. Het lot en streven en ook de wording van de gehele mensheid wordt zijn aangelegenheid. Nadat het geestelijke wezen van de mens de Jupitersfeer verlaten heeft, betreedt het uiteindelijk de Saturnussfeer. Hier, in het gebied waar de Serafijnen hun werking ontplooien, is ook het gebied van de wereldherinnering. In onze tijd zijn zowel Jupiter- als Saturnussfeer moeilijk te betreden. Toch zijn de im­pulsen die uit deze hoogste sferen in het leven tussen dood en nieuwe geboorte komen, noodzakelijk voor de voortgang der mensheidscultuur.

In de Saturnussfeer maakt het geestwezen zich los van iedere rassenbinding en heeft als lid van de gehele mensheid de mogelijkheid om uit het gebied van de vaste sterren, het gebied waaraan de Saturnussfeer raakt, nieuwe impulsen tot voortgang van cultuur en mensheid op te nemen.

In de achtste klas gaat het om uitvindingen, nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, technische ontwikkelingen, die ook in de Saturnussfeer hun oorsprong hebben. In de werking van de Saturnussfeer vinden we ook het thema van de technische uitvindingen terug. Op dit moment zijn we aan­gekomen in het middernachtelijk uur tussen dood en nieuwe geboorte. Hier vindt het geestwezen zijn oereigen impulsen. In dit gebied van de wereld­herinnering voelt hij zich staan, is hij zich bewust van zijn gang door vele levens. Daaruit wordt de wil geboren tot nieuwe daden in het nieuwe leven op aarde. Deze wil kan ook geboren worden bij de achtsteklasser. Er vindt een ontwaken aan de oereigen impulsen plaats. Dan is het moment gekomen waarop de leerling ook afscheid kan nemen van de middenbouw en de jongeling in de boven­bouw vaardigheden gaat ontwikkelen waardoor hij zijn oereigen impulsen, in dienst van de mensheid kan stellen.

Uit dit artikel mag duidelijk worden met welk een wijsheid het leerplan voor de Vrije School door Rudolf Steiner is opgebouwd. Nogmaals doorlopen we in de vertelstof van klas één tot en met klas acht het voorgeboortelijke leven. Al vertellend wordt vanuit het door het Ik doorwerkte zieleleven van de leraar een genezende, harmoniserende en uiteindelijk wekkende kracht werk­zaam op het vrij wordende levenslichaam van het kind.

De wereldverhalen in klas 1 t/m 8 in de Vrijeschool zijn vanuit een bewust inzicht in het voorgeboortelijk bestaan van het kind vorm gegeven, als handreiking voor een gezondmakende pedagogie die verder wil reiken dan de grenzen van geboorte en dood.

lutters

(Frans J. Lutters)
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s