Bij welke mislukkelingen heb ik dan mijn hele leven gewerkt? De Waldorfscholen als een soort verzamel-Lourdes?

[Deze tekst publiceerde Pieter HA Witvliet op 15/01/2011 op Steinerscholen.com onder de schuilnaam Joost Alfrik]

Professor! Prange:
Hij poneert een stelling en gaat die vervolgens inkleuren.
1.De antroposofie is een evangelie voor verlatenen en teleurgestelden, voor zinzoekers en thuislozen.
Ik voel mij niet verlaten; ik ben niet teleurgesteld; ik zoek wel zin in het leven, maar voel me ook niet ontheemd.
Had de hooggeleerde nu een enquete gehouden onder de vele honderden Waldorfschoolleerkrachten en was d.m.v. een bepaalde vraagstelling en de antwoorden daarop, bovenstaande conclusie gerechtvaardigd, dan zou ik me nu afvragen: bij welke mislukkelingen heb ik dan mijn hele leven gewerkt? De Waldorfscholen als een soort verzamel-Lourdes?
Wat Prange doet is een grote groep mensen psychologiseren met een eigen eerceptie van deze mensen: ze zijn door o.a Freud en Darwin hun levensanker kwijtgeraakt en vinden dit bij Steiner.
En deze kort door de bochtgedachte is het gedachtengoed van een hoogleraar.
En moet dienen als een bewijs dat antroposofen en daarmee vele Waldorfleerkrachten psychisch niet in orde zijn.
Het is een gedachtenbouwwerk dat elke realiteitszin mist. Arme professor!

These II: Die Waldorfpädagogik und die Waldorfschule sind der Versuch, diese Heilsbotschaft über Erziehung auf Dauer zu stellen.
Ik pak er een paar dingen uit: het klopt dat je iets van het mensbeeld moet kennen, wil je begrijpen wat er in een Waldorfschool gebeurt: wanneer er in de lagere klassen veel ritmisch wordt gewerkt, ziet dat er gewoon uit: de kinderen klappen/stampen enz. voor de leerkracht kan het een poging zijn, dmv deze leerstof, het etherlijf (en daarmee het geheugen) van het kind te versterken.
Ik zie verder geen enkel concreet bewijs voor zijn stelling.

De 3e dan.
Die anthroposophische Pädagogik ist eine Mogelpackung für Herrschaft. Sie beutet das vielfach anzutreffende Orientierungsbedürfnis aus, um die Herrschaft einer selbsterwählten Elite zu begründen.
Zijn uiteenzetting over “de beelden” is veel te absoluut gesteld. En daarmee tegelijk zijn conclusie dat er geïndoctrineerd zou worden. Hij wijst terecht wel op het gevaar dat je te lang bij de beelden kunt verwijlen en dan komt het abstracter opnemen van de leerstof in gevaar.
Zijn these 11 onderbouwt hij nergens echt concreet; het blijft ook hier een abstract, vooringenomen bouwwerk.
Wat betreft het getuigschrift, verkondigt hij een halve waarheid. De ouders wordt wel degelijk meegedeeld hoe de prestaties van het kind in de verschillende leergebieden zijn.
Ik was bij het lezen van zijn betoog, natuurlijk wel benieuwd naar de “indoctrinatie”.
Ik was al bang voor “alarmfase oranje” , dreiging van een terroristische aanslag; machtsovername. Maar nee: de verdwaalde zielen die antroposofie aanhangen en Waldorschoolleerkracht zijn geworden willen alles bij het oude laten en het liefst met de kinderen in hun fantasiewereld verwijlen.

Pranges “professionele” uiteenzetting heet in goed Nederlands: veel geschreeuw, weinig wol.

Antroposofie is er niet om door de leerlingen geconsumeerd te worden; nog minder om hen er, langs sneaky (om)wegen toe te brengen; het gaat niet om indoctrinatie van het antroposofisch gedachtengoed.
Toon mij dus, hooggeleerde heren en jij als hun nagalm, concreet de verborgen agenda=het Paard van Troje: in rekenen; in taal, in muziek; in aardrijkskunde, ja in het gehele leerplan.

Ik geef een paar voorbeelden van hoe voor mij antroposofie in de Waldorfschool werkt.

Naast het stoffelijke lichaam, onderscheidt Steiner een complex van levenskrachten, die niet door de stoffelijkheid worden voortgebracht, maar eerder: deze stoffelijkheid vormgeven, doordringen.
Het karakter van de stof wordt pas zichtbaar bij de dood, wanneer het leven is geweken: dan valt de stoffelijkheid in de verschillende, ons bekende, elementen uiteen.
In de mens zijn, op deze wijze geredeneerd, polen van “dood” en “leven”werkzaam.
Eenzelfde tegenstelling is waarneembaar in het zenuwmateriaal en het bloed. Het eerste is op sterven na dood; het andere bruist van leven-denk aan de enorme vernieuwingsmogelijkheden van het bloed.
Het lesgeven op een fantasieloze, droge intellectuele manier , waarbij de stof snel begrepen moet worden, doet veel meer een beroep op het bloedeloze denken, dan bijvoorbeeld het brengen van de stof op een levendige, fantasievolle manier, waarbij de kinderen kunnen genieten en de tijd krijgen de stof eigen te maken.
Op zeker ogenblik kreeg ik half in een leerjaar een meisje in mijn klas, dat er heel bleek uitzag. De ouders vertelden me dat ze op haar school helemaal niet gelukkig was; zij vonden ook dat de leerdruk erg hoog was. Ze hadden haar medisch laten onderzoeken, maar voor haar bleekheid en het feit dat ze niet echt levenslustig was, vond men geen verklaring.
Voor mezelf probeerde ik voorzichtig te formuleren of dit meisje niet veel te veel in de doodspool was aangesproken, in plaats van in het gebied van de vorm-levenskrachten.
Ik trad haar met alles wat de rijke Waldorpedagogiek ter beschikking heeft, tegemoet: beweging, ritme, kleur, fantasie enz. Na een half jaar had ze weer kleur op de wangen (bloed) en kenden haar ouders haar weer terug als het levenslustige kind, dat ze ooit was.
Later ontmoette ik haar toevallig in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden, waar ze inmiddels conservatrice was.

Er was een jongen van 7 in een andere klas, die opmerkelijk angstig was. Zelfs als hij moest schrijven, kwamen de tranen als van zelf, als hij in zijn ogen het fout had gedaan. Ook op de speelplaats onttrok hij zich aan het spelen: rennen, ravotten enz.
In diverse voordrachten spreekt Steiner over het zich ontwikkelende kind als over een wordend mens dat als “geest/zielewezen” een verbinding moet krijgen met zijn “lichamelijk/levenskrachtenwezen”.
Hij beschrijft ook 4 zintuigen . Een goede ontwikkeling daarvan draagt bij aan het proces van “belichaming”. Voor het jonge kind zijn dit de zgn lichamelijke zintuigen. De evenwichtszin en de eigenbewegingszin zijn van essentieel belang om als mens in je aardse lichaam te incarneren.
Dit proces verliep bij deze jongen heel moeizaam. Belangrijker dan het rekenboek was voor hem de evenwichtsbalk. Met veel moeite leerde hij deze te beheersen; eerst laag bij de grond-hij liep dan heel gebogen. Toen hij eens de koning wilde zijn-met kroon-die waardig over de brug (hier dus de evenwichtsbalk) moest schrijden-kwam er een strekking in zijn lijf. Uiteindelijk durfde hij steeds hoger.
Door de antroposofische ideeën: hier incarnatie en zintuigen, te “vertalen” naar een handeling, kon ik iets voor de ontwikkeling van dit kind betekenen.
Later, als zoon van een Joodse vader, zocht hij als 19-jarige, op de Israelisch-Palestijnse grens, de dialoog met zijn leeftijdgenoten uit beide kampen.
Of de evenwichtsbalk daartoe heeft bijgedragen, zal ik jammer genoeg nooit weten, want zo is het met ons werk: we kunnen het nooit nog een keer (anders) overdoen.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s